Cijfers L. de Jong betreffende de Japanse bezetting van Nederlands-Indië:

                                               Aantallen:         Overledenen:    % overledenen:
Krijgsgevangenen:                 42.233               8.200                één op de vijf
Geïnterneerden:                    100.000             16.800               één op de zes
Buiten de kampen:                 220.000             ?                       ?
Javanen:                                50 miljoen          2,5 miljoen        één op de twintig

Aantal Nederlandse krijgsgevangenen:

In 1978 is majoor drs. H.L. Zwitzer op basis van de in de archieven van de Koninklijke Marine en van het Koninklijke Nederlands-Indische Leger aanwezige gegevens tot de conclusie gekomen dat van de Europese militairen in Nederlands-Indië in totaal 42.233 in krijgsgevangenschap zijn geraakt:

Koninklijke Marine: 3.847 militairen
KNIL: 36.869 militairen
Hulpkorpsen van het KNIL: 1.517 militairen.

Op het totaal van de Europese krijgsgevangenen (42.233) zijn er 8.200 omgekomen (dat is 19,4%):

Koninklijke Marine: 648 omgekomenen (16,8%)
KNIL en hulpkorpsen: 7.552 omgekomenen (19,6%).

Het sterftecijfer van de krijgsgevangenen van alle geallieerde nationaliteiten in de Pacific-oorlog samen lag op 27%. Het Amerikaanse was 34%, het Australische 33% en het Britse 32%. Wat het algemene sterftecijfer verlaagde was het lage percentage onder de Nederlanders: minder dan 20%. (Gavan Daws, ‘Gevangenen van de Japanners; Krijgsgevangenen in de Pacific gedurende de Tweede Wereldoorlog’, Baarn 1996, pag. 409.)

Cijfers L. de Jong:
                                               aantallen:          overledenen:     % overledenen:
Sumatra (Pakan Baroe):                                  17.000 rom.       vier op de vijf
                                               5.500 kgv.          700 kgv.            één op de zeven
Sumatra (Palembang):           2.000 kgv.                                    één op de vier tot vijf

Aantal Nederlandse burgergeïnterneerden:

Gegevens over de aantallen geïnterneerde burgers in Indië zijn zeer onvolledig omdat bijna alle Japanse stukken die op de internering betrekking hebben, alsook veel kamparchieven verloren zijn gegaan. Van het totaal aantal geïnterneerden kan daarom alleen een schatting worden gegeven. In de loop van de oorlog hebben de Japanners aan het Internationale Rode Kruis doorgegeven dat er ongeveer 98.000 geïnterneerden waren. De Nederlandse regering heeft na de oorlog gesteld dat er circa 110.000 geïnterneerden zijn geweest. Dr. D. van Velden heeft achterin haar proefschrift ‘De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog’ (Groningen 1963) het beschikbare cijfermateriaal bij elkaar gebracht. Op basis van dit materiaal geeft L. de Jong in ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, deel 11b, pag. 348 en 359, de volgende cijfers:

Java: 80.000 Nederlandse geïnterneerden
Sumatra: 12.000 Nederlandse geïnterneerden
Grote Oost: 3.900 Nederlandse geïnterneerden
Borneo: 500 geïnterneerden
Totaal: 96.400 geïnterneerden.

De door Van Velden verzamelde gegevens zijn hoogstwaarschijnlijk niet volledig, vandaar dat De Jong het verstandig achtte ervan uit te gaan dat er circa 100.000 geïnterneerden zijn geweest (pag. 754). H.L. Zwitzer komt in zijn boek ‘Mannen van 10 jaar en ouder’ (Franeker 1995) op basis van het aantal naoorlogse claims van ex-geïnterneerden op een Japanse uitkering tot eenzelfde schatting (pag. 82). Het aantal van 100.000 Nederlandse burgergeïnterneerden lijkt daarmee de meest betrouwbare schatting te zijn.

Over het aantal omgekomen Nederlandse burgergeïnterneerden bestaat minder overeenstemming. De schattingen variëren tussen de 10.580 en 16.800 slachtoffers. D. van Velden meldt in haar proefschrift (‘De Japanse interneringskampen’ , pag. 368, noot 1) dat het Nederlandse Rode Kruis het aantal doden op 13% schatte (dat zou een aantal van 13.000 doden betekenen). H.L. Zwitzer komt tot een getal van 10.580 omgekomenen door dit aantal van 13.000 doden te corrigeren met het vooroorlogse sterftecijfer (H.L. Zwitzer, Mannen van 10 jaar en ouder, pag. 83). Op basis van het cijfermateriaal van D. van Velden komt L. de Jong tot een aantal van 13.120 sterfgevallen (13,6%). De Jong vermeldt tevens dat de Japanners in de loop van de oorlog aan het Internationale Rode Kruis een dodental van 16.800 opgaven (17%). De Jong sluit zich hierbij aan door te kiezen voor een sterftecijfer van één op zes (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11b, pag. 753-754).

Interneringen in de Buitengewesten (De Jong pagina 348)
Grote Oost: Bijna 3.900 Nederlanders en ca. 240 personen van andere nationaliteit. Bijna allen werden in de loop van 1942 op Celebes geconcentreerd, uitgezonderd een groep van ca. 500 personen op Ambon.
Ned. Borneo: Ca. 500 geïnterneerden. Ven hen werd een groep van bijna 300 personen in juli ’42 naar Brits-Borneo overgebracht, waar zich reeds ca. 260 (voornamelijk Britse) geïnterneerden bevonden.
Sumatra: Ca. 12.000 Nederlanders en ruim 1.200 personen van andere nationaliteit (w.o. ca. 700 Britten).

Interneringen op Java (De Jong pagina 359)
Van Velden: Ca. 80.000 Nederlanders, ca. 700 Britten, ca. 100 Amerikanen en ca. 1.800 personen van andere nationaliteit (ca. 29.000 mannen, ca. 25.000 vrouwen en ca. 29.000 kinderen)

Indonesiërs en (Indo-)Europeanen:

L. de Jong vermeldt dat van de 50 miljoen Javanen en Madoerezen er tijdens de Japanse bezetting circa 2,5 miljoen zijn gestorven; dit betekent een sterftepercentage van 5% (‘Koninkrijk’, 11b, pag. 572). De Indonesische regering schatte het totale dodental begin jaren 1950 op 4 miljoen (S. Sato, ‘War’, pag. 155).

De Japanse militaire politie arresteerde tijdens de bezetting ongeveer 15.000 personen – (Indo-)Europeanen, Indonesiërs en Chinezen – van wie 5.000 werden geëxecuteerd en 7.000 in gevangenschap stierven (D.M.G. Koch, ‘De Japanse bezetting van Indonesië’, in: ‘Onderdrukking en verzet; Nederland in oorlogstijd’, deel IV, Arnhem/Amsterdam [1954], pag. 584).

Hoeveel niet-geïnterneerde (Indo-)Europeanen er in totaal van de honger en andere ontberingen zijn omgekomen is niet bekend. Schattingen van het aantal (Indo-)Europeanen dat uiteindelijk buiten de kampen is gebleven lopen sterk uiteen van 120.000 tot 200.000. Historicus Hans Meijer heeft zeer recent het aantal ‘buitenkampers’ op circa 125.000 geraamd (‘In Indië geworteld’, Amsterdam 2004, pag. 226).

In 1944 was in Bandoeng de Europese bevolking buiten de kampen teruggelopen tot een totaal van 15.222 (exclusief buitenlanders), namelijk 10.881 vrouwen en 4.341 mannen, waarvan slechts 329 in de leeftijd van 20-40 jaar, tegenover 3.860 vrouwen en 2.852 jongens onder de 15 jaar. In de omgeving van Bandoeng bevonden zich toen nog 2.901 personen. In maart 1945 bestond de Europese bevolking van Bandoeng uit 4.523 mannen en 10.952 vrouwen, totaal 15.475 personen, terwijl in de omgeving het totaal was opgelopen tot 4.051 personen. Deze cijfers betroffen de bij de Badan Oeroesan Golongan Indo (BOGI, ‘Raad ter behartiging van de belangen der Indo’s’) geregistreerde personen. (NIOD IC 054.943, rapport R.B. Quack betreffende RAPWI-werk in en rond Bandoeng, 1946, pag.6.)

Als gevolg van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië stierven waarschijnlijk ruim 21.000 ‘Europeanen’ (8.200 krijgsgevangenen, om en nabij 13.000 burgergeïnterneerden en een onbekend  aantal ‘buitenkampers’). Vóór de oorlog telde de Europese gemeenschap in Indië circa 290.000 personen, van wie circa 260.000 de Nederlandse nationaliteit hadden. Dat zou een Europees sterftepercentage van meer dan 7% betekenen.

Romusha’s:

Hoeveel Indonesiërs gedurende de Japanse bezetting als romusha’s (‘werksoldaten’) moesten zwoegen, is niet precies bekend. Volgens bewaard gebleven Japanse statistieken was het aantal romusha’s op Java in november 1944 circa 2.6 miljoen, waarvan bijna één miljoen op tijdelijke basis. Daar deze tijdelijke krachten op een gegeven moment door anderen moesten worden afgelost, lag het totale aantal ingezette Javaanse ‘werksoldaten’ tijdens de Japanse bezetting vermoedelijk nog veel hoger dan 2,6 miljoen. In 1951 schatte drd waarop zij woonachtig waren. 2,6 miljoen.en worden afgelost, lag het het totale aantal ingezette den. de explosies e Indonesische regering het totale aantal romusha’s op 4,1 miljoen, waarvan de meesten slechts betrekkelijk korte tijd waren ingezet en ook niet van de eilanden waren afgevoerd waarop zij woonachtig waren (L. de Jong, ‘Koninkrijk’, 11b, pag. 530). De Japanse historicus Shigeru Sato berekende echter dat, indien men aanneemt dat in de twintig maanden tussen januari 1944 en augustus 1945 (de periode van de meest intensieve werving van romusha’s) elke tijdelijke ‘werksoldaat’ gemiddeld ongeveer twee maanden werd ingezet, het totale aantal tijdelijk gemobiliseerde romusha’s op Java de 10 miljoen benadert. Telt men daar de permanente romusha’s (circa 1,6 miljoen) bij op, dan komt het totale aantal ingezette Javaanse romusha’s in de buurt van de totale ‘mobiliseerbare’ arbeidsmacht op Java, die door het Japanse leger op 12,5 miljoen mensen werd geschat (Shigeru Sato, ‘War, nationalism and peasants; Java under the Japanese occupation 1942-1945’, St Leonards 1994, pag. 157-158). Deze schatting is in overeenstemming met de bevinding van de Japanse historica Aiko Kurasawa dat “almost all healthy men of working age except those who were invalids and those with leading positions in village society were mobilized as romusha at least once during the occupation” (Aiko Kurasawa, ‘Mobilization and control: a study of social change in rural Java, 1942-1945’, Cornell University 1988, pag. 259).

In sommige publicaties wordt de term romusha – ten onrechte – alleen gebruikt voor Javanen die overzee werden getransporteerd. Volgens de meest gangbare schattingen zijn vermoedelijk zo’n 300.000 Javaanse koelies naar gebieden buiten Java verscheept (L. de Jong, ‘Koninkrijk’, 11b, pag. 535-536; Henk Hovinga, ‘Einde van een vergeten drama’, in: Elly Touwen-Bouwsma en Petra Groen, ‘Tussen Banzai en Bersiap; De afwikkeling van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië’, Den Haag 1996, pag. 74). Volgens Shigeru Sato lag het aantal overzee gestuurde Javanen echter tussen de 160.000 en 200.000 (‘War, nationalism and peasants’, pag. 157-158). Van Bali zijn 6.000 à 7.000 en van Lombok ongeveer 4.000 arbeiders naar andere eilanden gebracht, nog afgezien van de ronseling van koelies voor werkzaamheden op het eiland zelf (L. de Jong, ‘Koninkrijk’, 11b, pag. 535, noot 7; Remco Raben, ‘Arbeid voor Groot-Azië’, in: G. Aalders e.a. (red.), ‘Oorlogsdocumentatie ’40-’45; Negende jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie’, Zutphen/Amsterdam 1998, pag. 101).

Het aantal romusha’s dat overleed als gevolg van de ontberingen is evenmin exact vast te stellen. De Japanners voerden een zeer gebrekkige administratie en verbrandden verscheidene van die administraties na de capitulatie. Een gangbare schatting is dat van de circa 300.000 Javaanse romusha’s die overzee werden getransporteerd er slechts ongeveer 77.000 overleefden, een sterftepercentage van 74,3% (Henk Hovinga, ‘Einde van een vergeten drama’, pag. 74). Het door Hovinga genoemde aantal van 77.000 overlevenden betrof echter alleen de Javanen die in de opvangkampen van het Nederlandsch Bureau voor Documentatie en Repatrieering van Indonesiërs (Neboduri) zaten, terwijl nog onbekende aantallen koelies rondzwierven, zich ter plekke vestigden, of op eigen gelegenheid naar Java probeerden terug te keren. Op basis van enkele verspreide gegevens schat Remco Raben het sterftecijfer in de Javaanse koeliegemeenschappen in de Buitengewesten op tegen de 50%, “en aan de ‘spoorwegen des doods’ een stuk hoger” (Remco Raben, ‘Arbeid voor Groot-Azië’, pag. 102-103). Shigeru Sato neemt hier opnieuw een afwijkend standpunt in: hij schat het aantal overzee gestuurde romusha’s dat overleefde op circa 135.000 personen (‘War, nationalism and peasants’, pag. 160).

Volgens L. de Jong zou van de overzee gestuurde Balinezen circa 85% zijn overleden. De Jong vermeldt voorts dat van de circa 100.000 romusha’s die zich in november 1944 aan de spoorlijn en kolenmijnen van de residentie Bantam op de westpunt van Java bevonden, ten tijde van de Japanse capitulatie nog maar circa 10.000 aanwezig waren (L. de Jong, ‘Koninkrijk’, 11b, pag. 535 noot 7 en pag. 532-533). Dat zou betekenen dat in Bantam wellicht 90.000 Javanen zijn omgekomen. Verdere gegevens over aantallen op Java omgekomen romusha’s ontbreken. Hetzelfde geldt voor gegevens over de overleden lokale koelies op Borneo, Celebes, Sumatra en Nieuw-Guinea die aan het werk werden gezet op hun eigen eiland. Henk Hovinga acht het daarom waarschijnlijk dat er in totaal aanzienlijk meer dan 300.000 Indonesiërs in romusha-dienst zijn omgekomen.
                
Behalve Indonesiërs hebben de Japanners ook op grote schaal Chinezen, Maleiers en Tamils geronseld in Singapore en Maleisië. De meeste van deze mensen moesten werken aan de Birma-Siam spoorweg, samen met eveneens geronselde Birmezen en Thais. In totaal hebben er waarschijnlijk 190.000 uit de Britse koloniale gebieden afkomstige romusha’s aan de spoorlijn gewerkt. Veel rapporten en getuigenverklaringen duiden op een sterfte van 80% onder deze dwangarbeiders. Dat zou 152.000 doden betekenen. Samen met de omgekomen Indonesische romusha’s komt het totale dodental in Zuidoost-Azië volgens Hovinga dan op circa 450.000 (Henk Hovinga, ‘Einde van een vergeten drama’, pag. 136-137.) De Jong vermeldt dat van de circa 4.000 na de Japanse capitulatie in Thailand aangetroffen romusha’s de overlevenden waren van groepen die tezamen op zijn minst 10.000 Javanen hadden geteld (L. de Jong, ‘Koninkrijk’, 11b, pag. 535). Volgens Japanse gegevens zijn 6.173 Javanen aan de Birma-Siam spoorweg ingezet, maar volgens een ex-krijgsgevangen Nederlands officier, die in augustus-september 1945 hiernaar onderzoek verrichte, was het aantal in ieder geval 7.408 en waarschijnlijk veel groter (NIOD IC 005.228).

Schattingen van het totale aantal ingezette romusha’s aan de Birma-Siam spoorweg variëren van 200.000 tot 250.000 of meer. Wat betreft de sterftepercentages zijn wetenschappelijke auteurs het erover eens dat dit minstens 50% was en waarschijnlijk veel hoger. Op sommige pekken langs de spoorlijn zou het sterftepercentage maar liefst 80 of 90% hebben bedragen. Dit betekent dat de schattingen van het totale aantal dode romusha’s uiteenlopen van ongeveer 100.000 tot circa 225.000. Uit de brochure van de Oorlogsgravenstichting kan worden opgemaakt dat zij het aantal aan de spoorlijn omgekomen romusha’s op 65.000 à 85.000 schat (in totaal vielen er volgens de stichting 80.000-100.000 doden, waarvan 15.000 krijgsgevangenen).

Daar de schattingen nogal uiteenlopen is een enigszins exact sterftepercentage niet te geven. Het sterftepercentage van overzee gestuurde Javaanse romusha’s wordt bijvoorbeeld door Hovinga op 74,3% gesteld, terwijl Sato vermoedt dat dit percentage tussen de 15 en 40% lag. Het sterftecijfer van het totaal aantal ingezette Indonesische romusha’s zou wellicht op circa 7,5% kunnen worden gesteld – uitgaande van 4 miljoen dwangarbeiders waarvan er 300.000 zijn omgekomen – maar benadrukt moet worden dat ook dit percentage op zeer grove schattingen is gebaseerd.

Heiho’s:

L. de Jong, ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, deel 11b, pag. 958: “Hoeveel heiho’s er in totaal geweest zijn, is niet bekend – de laatste opperbevelhebber van het Japanse Zestiende Leger […] luitenant-generaal Josioetsji Nagano, verklaarde kort na Japans capitulatie dat er in augustus ’45 op Java nog bijna 25.000 en op Timor nog ca. 2.500 waren en dat van Java enkele tienduizenden heiho’s naar elders waren verplaatst, ‘op eigen verzoek’, beweerde hij, van wie ca. 15.000 nog in leven zouden zijn.”

Idem, pag. 960: “Van Witsens schatting is dat van de ca. 15.000 ex-Knil-militairen die op Java heiho geworden zijn, ongeveer de helft is omgekomen. Hoevelen van de tienduizenden anderen die heiho werden, er het leven bij hebben ingeschoten, is niet bekend.”

Op basis van de in De Jong genoemde cijfers zou het aantal heiho’s op circa 60.000 man geschat kunnen worden.

Dwangprostituees:

Bart van Poelgeest schatte het aantal Europese vrouwen dat in Japanse bordelen in Nederlands-Indië werd tewerkgesteld op tussen de 200 à 300. Bij ongeveer 65 vrouwen staat hierbij vast dat van gedwongen prostitutie sprake was (‘Gedwongen prostitutie tijdens de Japanse bezetting’, in: Wim Willems en Jaap de Moor, red., ‘Het einde van Indië’, Den Haag 1995, pag. 186-187). Van Poelgeest geeft geen schatting van het aantal Indonesische dwangprostituees.

Volgens George Hicks spreken de meest betrouwbare schattingen van het totale aantal ‘troostvrouwen’ van 80.000 Koreaanse vrouwen en waarschijnlijk zo’n 20.000 vrouwen met de Japanse of de Taiwanese nationaliteit of afkomstig uit de door Japan bezette gebieden (‘Japanse legerprostitutie 1932-1945: een overzicht’, in: N.D.J. Barnouw e.a., red., ‘Vijfde jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie’, Zutphen 1994, pag. 19). Dat zou betekenen dat het aantal Indonesische dwangprostituees in ieder geval onder de 20.000 moet hebben gelegen.

In 1995 kwam de Japanse Fumiko Kawada na onderzoek op een aantal van 22.234 slachtoffers van seksueel geweld in Nederlands-Indië, een getal dat ook maîtresses en verkrachtingen behelsde. Het Indonesische tijdschrift Tempo noemde in 1992 het getal 60.000, zonder daar een bron bij te vermeldden. (Cijfers geciteerd door Brigitte Ars, ‘Troostmeisjes’, Amsterdam 2000, pag. 145.)

George Hicks heeft berekend dat de verhouding tussen het aantal Japanse troepen en het aantal ‘troostmeisjes’ op ongeveer 50:1 gesteld kan worden (‘The Comfort Women’, London 1995, pag. XIX). Ten tijde van de Japanse capitulatie bevonden er zich in Indië ongeveer 300.000 Japanners (Elly Touwen-Bouwsma en Petra Groen, red., ‘Tussen Banzai en Bersiap’, Den Haag 1996, pag. 95). In dat geval zouden er in Indië circa 6.000 dwangprostituees zijn geweest. Dat cijfer is goed in overeenstemming te brengen met het bovengenoemd aantal van 20.000 dwangprostituees met de Japanse of de Taiwanese nationaliteit of afkomstig uit de door Japan bezette gebieden.

Gesneuvelde geallieerde militairen:

Het aantal gesneuvelde geallieerde militairen in Azië en de Pacific: circa 156.000 man. Dit aantal komt tot stand door het optellen van de volgende cijfers:

Verenigde Staten: circa 90.000 gesneuvelden
Australië: 45.843 gesneuvelden
Groot-Brittannië en Commonwealth: tenminste 17.200 gesneuvelden
Nederland: 2.654 gesneuvelden
Nieuw-Zeeland: tenminste 134 gesneuvelden

Niet meegeteld zijn de onder Amerikaans commando gesneuvelde Filippijnse militairen, de ongeveer 1,4 miljoen Chinese gesneuvelden en de circa 12.000 in augustus 1945 omgekomen leden van de Sovjetstrijdkrachten.

Hirosima en Nagasaki:

Het grote probleem bij het schatten van het aantal slachtoffers/doden van de atoombommen is dat niemand exact weet hoeveel burgers en militairen zich op het moment van de kernexplosies in Hiroshima en Nagasaki bevonden. De cijfers in deel 11b van het ‘Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ van L. de Jong – te weten 64.000 doden en 72.000 gewonden in Hiroshima en 39.000 doden en 25.000 gewonden in Nagasaki – zijn zeer waarschijnlijk gebaseerd op de resultaten van diverse Amerikaanse en Japanse onderzoeksrapporten uit de tweede helft van de jaren 1940 en de jaren 1950. Deze resultaten werden sindsdien in veel gezaghebbende boeken aangehaald. Deze cijfers zouden echter wel eens te laag kunnen zijn. In 1950 werd in Japan voor het eerst een telling gepubliceerd van het aantal overlevenden van de kernexplosies. Toen men vervolgens het aantal overlevenden van het geschatte aantal aanwezigen tijdens de atoombombardementen aftrok, kwam men tot de conclusie dat tot 1950 in Hiroshima 200.000 mensen en in Nagasaki 140.000 mensen waren overleden. Daar veel overlevenden zich in 1950 echter nog niet als zodanig bekend durfden te maken, viel deze berekening veel te hoog uit. In 1976 rapporteerden de twee getroffen Japanse steden aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties dat ten gevolge van de atoombommen tot het eind van 1945 in Hiroshima 130.000 à 150.000 doden en in Nagasaki 60.000 à 80.000 doden te betreuren waren geweest. De Amerikaanse militair historicus Richard Frank kwam in 1999 tot de volgende voorzichtige conclusie: “The actual total of deaths due to the atomic bombs will never be known. The best approximation is that the number is huge and falls between 100.000 and 200.000.” (Richard B. Frank, ‘Downfall; The end of the Imperial Japanese Empire’, New York 1999, pag. 287.)

Ook over het aantal mensen dat in latere jaren aan de gevolgen van de kernexplosies is overleden bestaat grote onzekerheid. Als gevolg van de langetermijneffecten van de atoombommen is het sterftecijfer onder diegenen die de explosies hebben overleefd duidelijk hoger dan het landelijk gemiddelde, maar hieromtrent zijn geen betrouwbare cijfers beschikbaar. In Hiroshima en Nagasaki worden dodenlijsten van overleden ‘hibakusha’ (slachtoffers van de atoombom) bijgehouden. Een ‘hibakusha’ is iemand die zich tijdens, of vlak na de explosies binnen een straal van twee kilometer van de epicentra van de atoombommen bevond. In augustus 1994 telde de lijst van Hiroshima 186.940 doden en de lijst van Nagasaki 102.275 overledenen. In augustus 2000 stonden op de dodenlijst van Hiroshima al meer dan 217.000 namen. Wanneer een ‘hibakusha’ overlijdt wordt hij of zij automatisch op de dodenlijst gezet, ongeacht de oorzaak van overlijden. Het is dus niet zeker of alle gestorvenen op deze lijsten ook inderdaad aan de gevolgen van de atoombommen zijn overleden. Niettemin kan volgens de Amerikaanse historicus John Dower het totaal van “immediate and longer-term deaths caused by the bombing of the two cities” geschat worden op “as high as triple the familiar early estimates – in the neighbourhood, that is, of three hundred thousand or more individuals” (Michael J. Hogan, ed., ‘Hiroshima in history and memory’, Cambridge 1996, pag. 125).

Nederlandse slachtoffers van de Bersiap-periode in Indië (de periode na de Japanse capitulatie):

Eind 1947 werd door de Nederlandse autoriteiten het totaal aantal slachtoffers van de Bersiap op 3.500 geschat; of daarbij de slachtoffers onder de Ambonezen zijn meegesteld is niet duidelijk. Volgens L. de Jong is deze schatting vermoedelijk te laag geweest: vermoorden werden alleen aangemeld als zij relaties hadden die dat konden doen, maar talrijke Indisch-Nederlandse mannen en vrouwen die met Indonesiërs gehuwd waren, leefden geïsoleerd in de binnenlanden. Eind 1948 waren er in heel Indië nog circa 2.500 Europeanen zoek – dat cijfer sloot evenwel ook personen in die in de Japanse bezettingstijd spoorloos waren verdwenen. (L. de Jong, ‘Koninkrijk der Nederlanden’, deel 12, pag. 744-745.)

Nederlandse gesneuvelde militairen tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd:

De gemiddelde sterkte van de landstrijdkrachten in Nederlands-Indië in de jaren 1946-1949:

KL: 70.000
KNIL: 40.000
Mariniersbrigade: 5.000

Benadrukt moet worden dat het hier de gemiddelde sterkte van de in Indië aanwezige landstrijdkrachten in de jaren 1946-1949 betreft. Het totaal aantal militairen dat op enig moment tijdens deze periode in Indië heeft gediend moet dus aanzienlijk hoger hebben gelegen.

De verliescijfers zijn als volgt onder te verdelen (resp. verliezen aan gesneuvelde en door ziekte en ongeval overleden militairen):

KL:                        1602   - 907
KNIL:                     722     - 1098
Mariniersbrigade:  155     - 101
Totaal:                   2479   - 2106 (opgeteld: 4585)

(Bron: D.C.L. Schoonoord, ‘De Mariniersbrigade 1943-1949; Wording en inzet in Indonesië’,  Amsterdam 1988, pag. 315)

Kolonel b.d. J.W. de Leeuw komt tot de volgende totaalcijfers voor de periode tussen 15 augustus 1945 en 1 januari 1963 (dus inclusief het conflict om Nieuw-Guinea in 1962):

Gevechtsverliezen (inbegrepen vermoord): 3281
Niet-gevechtsverliezen (ziektes, ongevallen, executies etc.): 2134
Doodsoorzaak onbekend: 762
Totaal: 6177

Bij deze cijfers zijn ook omgekomen politiemensen, Rode Kruispersoneel etc. meegeteld. Tenslotte zijn ook mensen opgenomen die niet in Indië zijn aangekomen. Zij behoorden echter reeds tot een uit te zenden eenheid en zijn daarom ook door De Leeuw meegenomen. De Leeuw benadrukt dat deze cijfers nog aan verandering onderhevig zijn. (Bron: zgn. Roermond-database van De Leeuw.)

Tijdens de Eerste Politionele Actie zijn 169 Nederlandse militairen omgekomen, tijdens de Tweede sneuvelden er 113 (L. de Jong, ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, deel 12, pag. 972).

Indonesische verliezen tijdens de onafhankelijkheidsstrijd:

Het is niet exact bekend hoeveel Indonesische slachtoffers er in de periode 1945-1949 als gevolg van de onafhankelijkheidsstrijd gevallen zijn. Sommige historici hebben niettemin getracht dat aantal enigszins in te schatten. In zijn 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' schrijft L. de Jong dat in Indonesië wordt gesteld dat de Republikeinse strijdkrachten in de jaren 1945-1949 in totaal circa 100.000 man hebben verloren, en dat Nederlandse militaire historici dat voor een betrouwbaar cijfer houden (deel 12, pag. 865, noot 3). Het is echter niet duidelijk waar deze beweringen van De Jong precies op zijn gebaseerd. Hij heeft zich niet gewaagd aan een schatting van het totale aantal Indonesische burgerslachtoffers, maar vermeldt slechts dat de anti-koloniale strijd op Java aan enkele tienduizenden Indonesiërs het leven heeft gekost, en dat op Sumatra in de periode voorafgaande aan de Eerste Politionele Actie alleen al onder de Karo-Bataks zo'n 7.000 slachtoffers zijn gevallen. Daarnaast zijn volgens De Jong vermoedelijk ook nog eens enkele tienduizenden Indonesiërs om het leven gekomen als gevolg van de door de PKI geïnitieerde Madioen-opstand (deel 12, pag. 1014).

Adrian Vickers houdt het in zijn 'A history of modern Indonesia' op tussen de 45.000 en 100.000 militaire gevallenen en tussen de 25.000 en 100.000 burgerslachtoffers (pag. 105 [second edition]). Petra Groen heeft aan de hand van Nederlandse militaire rapporten becijferd dat in de periode van 1 januari tot 10 augustus 1949 (dus in ruim zeven maanden tijd) bijna 47.000 Indonesische militairen als gesneuveld zijn opgegeven. Zij tekent daarbij echter wel aan dat deze tellingen "minder betrouwbaar" zijn: enerzijds zijn ze ongetwijfeld niet volledig, anderzijds hebben sommige Nederlandse commandanten te velde destijds bewust een te hoog vijandelijk verliescijfer gemeld ('Marsroutes en dwaalsporen; Het Nederlands militair-strategisch beleid in Indonesië 1945-1950', pag. 238 en 262).

Onderzoekers van het KITLV achten het op basis van dergelijke Nederlandse militaire opgaven uit 1947 en 1949, waarvan zij net als Groen zeggen dat die zowel te hoog als te laag zouden kunnen zijn, "quite likely" dat het aantal Indonesische gesneuvelden in de gehele periode van de onafhankelijkheidsstrijd enkele honderdduizenden bedroeg. De schattingen lopen dus uiteen van 45.000 tot enige honderduizenden. Vast staat in ieder geval dat de Indonesische militaire verliezen vele malen hoger waren dan de Nederlandse.

Schadevergoeding Japan aan Nederland:

Als uitvloeisel van het in 1951 ondertekende vredesverdrag met Japan werden in 1954 en 1956 de volgende twee regelingen voor schadevergoeding aan particulieren getroffen:

In 1954 werd met Japan overeenstemming bereikt over een schadevergoeding aan de voormalige geallieerde krijgsgevangenen en hun nabestaanden. Voor Nederland kwam een bedrag van 11 miljoen gulden beschikbaar. Dat betekende dat de circa 41.000 Nederlandse rechthebbenden, zowel voormalige krijgsgevangenen als nabestaanden, per persoon 264 gulden ontvingen. Ongeveer 18.000 van hen, namelijk diegenen die hadden gewerkt aan de beruchte Birmaspoorweg (of hun nabestaanden), deelden tevens in de opbrengst van het aan Thailand verkochten spoorwegmaterieel. Dat leverde de betrokkenen een aanvullend bedrag op van precies f 61,73 per persoon.

Vervolgens begonnen in 1955 rechtstreekse onderhandelingen tussen Nederland en Japan over een smartengeld voor de burgergeïnterneerden. Uiteindelijk kwamen beide partijen in maart 1956 uit op een bedrag van 38 miljoen gulden. Op 5 december van dat jaar maakte minister van Buitenlandse Zaken Luns in de Tweede Kamer het precieze bedrag bekend dat voor iedere burgergeïnterneerde of nabestaande beschikbaar was: 385 gulden. Omdat het aantal aanvragers kleiner bleek te zijn dan vooraf verwacht (uiteindelijk ruim 90.000 in plaats van 110.000), volgde later voor iedereen nog een aanvullende uitkering van 30 gulden.

In totaal stelde Japan dus circa 50 miljoen gulden beschikbaar voor de Nederlanders die tijdens de oorlog geïnterneerd waren geweest in de Japanse kampen: circa 12 miljoen voor de militairen, en 38 miljoen voor de burgers, met inbegrip van de nabestaanden alles bij elkaar ongeveer 130.000 rechthebbenden. Met de uitvoering van deze akkoorden werd het ‘officiële’ boek van de oorlog tegen Japan in 1956 formeel gesloten.