Zigeuners: Van de 245 naar Auschwitz gedeporteerde Sinti zijn er, voor zover bekend, 30 teruggekeerd. (B.A. Sijes, Vervolging van zigeuners in Nederland 1940-1945 (Den Haag 1979) pag. 134.)

Duitse concentratiekampen: Naar concentratiekampen in Duitsland zijn ongeveer 11.000 niet-joodse Nederlanders overgebracht. Van hen zijn, naar schatting, circa 800 nog tijdens de oorlog vrijgelaten en circa 4.000 omgekomen. Bovendien zijn naar schatting tussen de 500 en 1.000 Nederlanders enige tijd opgesloten geweest in zogenaamde ‘Arbeitserziehungslager’. (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 8, pag. 887).

Duitse gevangenissen en tuchthuizen: Naar gevangenissen en tuchthuizen in Duitsland zijn ongeveer 2.500 veroordeelde Nederlanders overgebracht. Tevens zijn daar tussen de 4.000 en 6.000 Nederlanders terechtgekomen die in Duitsland gearresteerd en berecht waren. Uit beide groepen samen zijn vele honderden omgekomen. (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 8, pag. 886-887).

Jehovah’s Getuigen: In Nederland zijn in 1940-1945 naar schatting ongeveer 500 Jehovah’s Getuigen gearresteerd. Ruim 300 van hen zijn overgebracht naar Duitse kampen en ongeveer 130 zijn overleden als gevolg van ziekten en ontberingen of – in een aantal gevallen – gefusilleerd. (Tineke Piersma, Getrouw aan hun geloof; De vervolging van de Nederlandse Jehovah’s Getuigen in de Tweede Wereldoorlog (Diemen/Koog aan de Zaan 2005) pag. 93).

Homoseksuelen: De systematische vervolging van homoseksuelen door de Duitse bezetters is in Nederland nauwelijks van de grond gekomen. Het aantal Nederlanders dat de nazi-maatregelen tegen homoseksualiteit aan den lijve ondervond, kan voorzichtig geschat worden op enkele honderden. Minimaal 138 kwamen voor een Nederlandse rechter (van wie er 90 schuldig werden verklaard); een onbekend aantal werd door Duitse rechters veroordeeld. Tegen een onbekend aantal anderen werd buiten de gebruikelijke procedures om opgetreden. De gevangenisstraffen, opgelegd door Duitse rechtbanken in Nederland, werden soms uitgezeten in gevangenissen en huizen van bewaring in Nederland, maar meestal in gevangenissen en tuchthuizen in Duitsland. Alle gegevens wijzen erop dat de gevangenen na het verstrijken van de straftijd zonder verdere gevolgen uit gevangenis of tuchthuis werden ontslagen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat zich in Duitse concentratiekampen in of buiten Nederland mannen van Nederlandse nationaliteit bevonden die wegens homoseksualiteit waren opgepakt. (Bronnen: Yvonne Scherf, De vervolging van homosexualiteit tijdens de Tweede Wereldoorlog, pag. 57-58; Pieter Koenders, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie, pag. 840.)

Arbeidsinzet: Naar schatting zijn tussen de 600.000 en 681.000 Nederlanders tijdens de oorlog in Duitsland werkzaam geweest. Sommigen gingen vrijwillig, maar de meesten tegen hun wil, soms pas na harde dwang. Op den duur, vooral aan het einde van de oorlog, haalde de bezetter de arbeidskrachten zelfs bij grotere of kleinere razzia’s gewoon van de straat. Vele naar Duitsland getransporteerde arbeiders zijn op den duur gevlucht, of keerden ‘legaal’ naar Nederland terug. Aan het einde van de oorlog waren vermoedelijk nog ruim 381.000 Nederlandse arbeiders in Duitsland aanwezig. Hoeveel arbeiders in Duitsland het leven hebben gelaten is evenmin nauwkeurig bekend. Hun aantal wordt geraamd op 8.500 personen. (Bronnen: B.A. Sijes, De arbeidsinzet; De gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland 1940-1945, pag. 605, 624-625; J.C.H. Blom, Crisis, bezetting en herstel pag. 86.)

Militairen: In mei 1940 werden ruim 20.000 Nederlandse militairen naar krijgsgevangenenkampen in Duitsland overgebracht. In de eerste helft van juni 1940 werden deze krijgsgevangenen echter naar Nederland teruggezonden en gedemobiliseerd. De vrijgelaten beroepsmilitairen onder hen moesten in medio juli 1940 echter verklaren dat zij niet meer aan de strijd tegen Duitsland zouden deelnemen, en dat zij geen enkele handeling zouden begaan of verzuim plegen waardoor het Duitse rijk schade zou kunnen lijden. De legerleiding adviseerde de verklaring wel af te leggen, maar 58 militairen (voornamelijk officieren) weigerden. Deze weigeraars werden opnieuw in krijgsgevangenschap afgevoerd. In september 1940 kwamen daar nog vijf officieren bij die hun verklaring hadden ingetrokken. Op grond van het feit dat de Duitsers ontdekt hadden, dat vrijgelaten beroepsofficieren zich met verzetswerk hadden beziggehouden, werden in mei 1942 nog eens 1.800 officieren, ruim 60 adelborsten en bijna 90 cadetten in krijgsgevangenschap afgevoerd. In maart 1943 kwamen daar nog eens 140 reserveofficieren bij. In de maanden mei tot en met augustus 1943 werden tenslotte 11.000 beroepsmilitairen en dienstplichtigen naar Duitse krijgsgevangenenkampen afgevoerd. Al deze groepen telden bij elkaar ruim 13.000 man; van hen zijn tussen de 2.000 en 3.000 weer vrijgelaten en vermoedelijk 300 à 400 in gevangenschap omgekomen. Minstens 16 Nederlandse officieren, die een mislukte poging hadden ondernomen uit hun gevangenschap te vluchten, zijn in het concentratiekamp Mauthausen om het leven gebracht. (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 8, pag. 122-125 en 886).