Hoewel de aandacht in de media voor de periode 1939-1945 na het herdenkingsjaar 1995 wat is afgenomen, blijven de schappen van de boekhandels gevuld met zojuist verschenen oorlogsboeken. Ook voor de redactie van het Achtste Jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie was er geen reden om te vrezen dat het Jaarboek ditmaal niet gevuld zou kunnen worden. Het bevat dit jaar zelfs een aantal artikelen van bovengemiddelde omvang met onderwerpen als: de verwerking van de dekolonisatie van Indonesië, de jodenvervolging in België en Nederland in vergelijkend perspectief, en de herinnering aan de jodenvervolging in de Nederlandse literatuur. Het scriptie-artikel komt dit jaar helaas te vervallen.

Reeds jaren wordt gepleit voor een vergelijkende studie naar de jodenvervolging in West-Europa. Pim Griffioen en Ron Zeller nemen in dit Jaarboek de jodenvervolging in Nederland en België onder de loep. Zij concluderen dat er parallellen bestaan tussen het bezettingsregime, de houding van het ambtelijk apparaat en de bevolking, en de reactie van de slachtoffers op het Duitse vervolgingsbeleid in beide landen. Na een kwalitatieve en kwantitatieve analyse komen zij tot de slotsom dat niet zozeer de vluchtmogelijkheden, de mogelijkheden tot onderduik of de omvang van het Duitse politie-apparaat de verschillen in de aantallen slachtoffers in de twee landen hebben veroorzaakt, maar dat de door de bezetter gebruikte methoden daaraan debet waren.

Joop de Jong stelt in zijn artikel over de verwerking van de dekolonisatie van Indonesië dat de recente debatten in de media over de periode 1945-1950 overheerst worden door emotie en niet worden gevoerd met kennis van zaken. De steeds terugkerende discussies, bijvoorbeeld die rond het verlenen van een visum aan Poncke Princen, zijn een herhaling van zetten en hebben volgens De Jong een ritueel karakter. Hij acht dit soort debatten dan ook zinloos. Eerder dan verwerking van het verleden lijkt er geheugenverlies op nationale schaal te bestaan. De Jong pleit voor een nauwkeuriger hanteren van de feiten, zowel door de media als door de partijen (de Indië-veteranen, de Indische kampslachtoffers, de Molukkers) die streven naar erkenning van hun verleden. Dichten van de kloof tussen de emotionele debatten en de historische wetenschap is daartoe een conditio sine qua non.

De al vijftig jaar durende pogingen tot recuperatie van Nederlandse kunstwerken komt aan bod in een bijdrage van Josephine Leistra. Zij richt zich hoofdzakelijk op de beeldende kunst en vertelt hoe - door roof, inbeslagneming of 'verkoop' - tijdens de bezetting de kunstwerken voor Nederland verloren gingen. Behalve aan de juridische aspecten van de recuperatie, besteedt zij ook aandacht aan de successen die op dit terrein zijn geboekt. De teruggave in 1987 door de DDR van verschillende tekeningen uit de Koenigscollectie leidde tot een opleving van activiteiten op het gebied van recuperatie door de Nederlandse overheid. De zoektocht naar de overige tekeningen van de Koenigs-collectie werd ingezet.

Ger Verrips belicht de legendevorming over de relatie tussen de CPN en de Raad van Verzet (RW). Ook dr. L. de Jongs behandeling van deze relatie ontkomt niet aan kritiek. De in het voorjaar van 1943 tot stand gekomen Raad van Verzet beoogde coördinatie van de gewapende illegaliteit en bundeling van diverse politieke stromingen. Dit mislukte onder andere door het vermoeden - geheel ten onrechte mdash;dat de RW een mantelorganisatie van de communistische partij zou zijn. Na de oorlog gaf de CPN een overdreven beeld van de rol van de communisten in de RW als bijdrage aan het nationaal verzet. In de jaren vijftig werd echter gesteld dat de RW had gediend om een aan invloed groeiende CPN bij de bevrijding politiek buitenspel te zetten. In feite fungeerde de Raad vanaf november 1944, zes maanden voor de bevrijding, al niet meer.

Henriëtte Boas blikt in haar recensie-artikel terug op vijftig jaar verwerking van de jodenvervolging in de Nederlandse literatuur. De auteur geeft een beredeneerd overzicht van de honderden boeken die sinds de bevrijding over de jodenvervolging zijn verschenen, met nadruk op romans en ego-documenten. Ze constateert dat na een kortstondige belangstelling vlak na de oorlog een lange periode van zwijgen volgde, waaraan pas rond 1957 een eind kwam. Boas rubriceert vervolgens de verschillende thema's - razzia's, vluchtwegen, onderduik, verzet, concentratiekampen - in de vloed van publicaties die vooral sinds 1980 aanzwol. Ze wijdt aparte beschouwingen aan Anne Frank, Etty Hillesum en Charlotte Salomon, en besluit met de literatuur van de 'tweede generatie'.

Het werk van Martin Broszat, een van Duitslands meest vooraanstaande historici, staat centraal in de rubriek De historicus. Chris Lorenz wijst erop dat, ondanks het levenslange verzet van Broszat tegen de 'monumentalisenng' van de geschiedenis van het Derde Rijk, diens eigen historische bijdrage aan het onderzoek naar het Derde Rijk eveneens monumentale trekken vertoont. Monumentaal is zijn werk in institutionele zin: het 'historische landschap' van Duitsland is niet meer denkbaar zonder het door Broszat groot gemaakte Institut für Zeitgeschichte. Monumentaal is het ook in inhoudelijke zin: de mede door Broszat ontwikkelde structurele interpretatie van het Derde Rijk neemt een niet meer weg te denken plaats in de discussie daarover in.

Een ander prestigieus instituut, The Wiener Library, werd opgericht om de opkomst en ondergang van het nationaal-socialisme, de vervolging van de Europese joden en het leven van joodse gemeenschappen in Europa voor en na de Tweede Wereldoorlog te documenteren. Ben Barkow vertelt in de rubriek Het Zusterinstituut de ontstaansgeschiedenis van het instituut, waarin de uit Duitsland gevluchte dr. Alfred Wiener en de Nederlandse prof. dr. David Cohen een belangrijk aandeel hebben gehad. Ook beschrijft hij de collecties en huidige activiteiten van het Londense instituut, dat zich tevens bezighoudt met voorlichting over de jodenvervolging aan scholieren.

In het foto-essay schetsen David Barnouw en René Kok de oorlogsjaren van Rudi Hornecker aan de hand van zijn dagboek. De Duitser Hornecker maakte tijdens de hongerwinter, hoewel hij in dienst was van de Duitse bezetter, op eigen initiatief de documentaire Honger. Een semi-clandestiene onderneming, omdat hij zich op dat moment schuilhield voor de Duitse autoriteiten. Beelden uit de film geven een indruk van de grote zeggingskracht van de documentaire.

Bill Creech en Walter Salzmann introduceren de National Archives and Records Administration (NARA) bij de Nederlandse lezer. Na een korte inleiding over de geschiedenis en werkwijze van de NARA komen de collecties aan bod die voor de bezettingsgeschiedenis van Nederland van belang zijn.

In de rubriek Onderzoek vindt u de scripties en werkstukken die het instituut in de afgelopen periode heeft ontvangen. De meeste van deze titels zijn op de bibliotheek van het RIOD te raadplegen.

In Stand van Zaken geeft dr. P. Romijn, waarnemend directeur, een overzicht van het jaar waarin de reorganisatie van het instituut tot stand kwam.

Vorig jaar heeft de zetduivel helaas toegeslagen in de bijdrage van Jaap Boas, The Historian as Factualist. Onze welgemeende excuses hiervoor. De correcte tekst kan bij de redactie worden verkregen.

Inhoudsopgave

- Pim Griffioen en Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland en België tijdens de Tweede Wereldoorlog: een vergelijkende analyse
- Joop de Jong, 'Een inktzwarte bladzijde in de geschiedenis'. Nederland en de Indonesische kwestie 1945-1950
- Josephine Leistra, Recuperatie in Nederland 1945-1996. Schets van een niet afgesloten hoofdstuk
- Ger Verrips, De relatie tussen de CPN en de Raad van Verzet

Vignet
- Gerhard Hirschfeld, Genocide en historische vergelijking

Het foto-essay
- David Barnouw en René Kok, Honger! Een Duitser filmt in Nederland

Het recensieartikel
- Henriëtte Boas, Nederlandse belangstelling voor de jodenvervolging 1945-1995. Nederlandstalige romans, egodocumenten en andere literatuur over de jodenvervolging 1940-1945 en hun receptie

Het archief
- Walter H. Salzmann en William R. Creech, De National Archives and Records Administration

De zusterinstituten
- Ben Barkow, De Wiener Library in Nederland

De historicus
Chris Lorenz, Is het Derde Rijk al geschiedenis? Martin Broszat als historicus en pedagoog

Onderzoek
Scripties en werkstukken 1995-1996

Stand van Zaken
- P. Romijn, Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie

 

Plaats van uitgave: 
Zutphen
Uitgever: 
Walburg Pers
Jaar van uitgave: 
1997