20 februari 2017

De Tweede Wereldoorlog betekende voor menigeen een gedwongen scheiding van hun dierbaren. Sommigen geraakten in gevangenschap, anderen moesten gedwongen hun huis achterlaten. Het NIOD is in het bezit van een dagboek die illustreert hoe de getroffenen met hun lot omgingen. Vandaag de Joodse diamantair Meijer Emmerik.

Creche op de Plantage Middenlaan in 1943. Kinderen op de foto komen niet in het verhaal voor. BeeldbankWo2/NIOD

Meijer Emmerik, een bemiddeld Joodse diamantair uit Amsterdam, is 49 jaar oud als hij in september 1943 onderduikt bij een gezin in Helden-Beringe in Limburg: een omgeving waar, dankzij een katholieke organisatie, ongeveer honderd kinderen en volwassenen kunnen onderduiken.

Op een boerderij met vier kinderen verblijft Meijer Emmerik afwisselend op een zolderkamer en in een tuinhuisje. Tot januari 1945 houdt hij daar een bijzonder indringend dagboek bij, dat hij Mijn belevenissen noemt.                                                                        

Tot ze in februari 1942 samen gaan onderduiken in Amersfoort, wonen Meijer en zijn echtgenote Vogeltje, in het dagboek steevast Fietje genoemd, in Amsterdam-Oost. Ook hun dochter Lena woont dan in de hoofdstad, samen met haar echtgenoot Sam. Het jonge stel heeft twee kleine kinderen: Loetje en Max.

Meijer en Vogeltje Emmerik zien gedurende de oorlog een groot deel van hun bekenden en familie, waaronder hun schoonzoon Sam, uit de stad verdwijnen. ‘Sam, zijn ouders en zusje, twee broers van mij met hun vrouwen en kinderen, mijn zuster en haar man, werden uit hun huizen gesleept. Van mijn oudste broer werden op het Adema van Scheltemaplein, omdat zijn hoed niet gauw genoeg van het hoofd ging, de tanden uit de mond geslagen,’ schrijft Meijer in zijn dagboek.                                                            

Vrijkopen

Met een diamant probeert hij zijn schoonzoon uit Westerbork vrij te kopen. ‘Eenige dagen nadat de diamant was gegeven, kwam van de Joodse Raad uit Westerbork het bericht dat mijn schoonzoon op last van de Sicherheitsdienst uit Den Haag voorlopig op Westerbork gesperd werd.’                                                                                       

Later wordt Sam toch op transport gesteld naar Polen. Tevergeefs stelt zijn schoonvader alles in het werk om de diamant, ter waarde van 20.000 gulden, terug te krijgen. Sam Vogel wordt op 13 maart 1943 op eenendertigjarige leeftijd om het leven gebracht in Sobibor.                                       

Max, zijn jongste zoontje, is datzelfde jaar ondergedoken bij de familie Van der Meulen aan de Amsterdamse Linneausparkweg. In zijn boek Kopgeld beschrijft Ad van Liempt de situatie van de ondergedoken peuter: ‘‘Max is een joods jongetje van bijna twee jaar oud en heeft open TBC. Hij is heel zwak en moet zoveel mogelijk voor het open raam liggen. Zijn moeder is ondergedoken en kan hem dus niet komen opzoeken, zijn vader is al weggehaald, alleen zijn oma kan op 7 september op bezoek komen: op die dag wordt Max twee jaar.’’                                                          

Verraad Colonne Henneicke

Vogeltje blijft op het onderduikadres van haar kleinkind slapen, maar neemt daarmee teveel risico: de volgende ochtend om negen uur bellen er twee mannen aan. Ze zijn van de Colonne Henneicke en komen de kleine Max en zijn oma arresteren. ‘‘Later zal de onderduikgeefster, mevrouw Van der Meulen, er nog op wijzen hoe tragisch de arrestatie is verlopen,’’ aldus Van Liempt. ‘‘De oma begint in de aanwezigheid van de twee Colonneleden hard te huilen, en smeekt hen om haar kleinzoon met rust te laten. ‘Maar ze hadden het kind nog niet ontdekt, en als ze er niet over begonnen was, zou het misschien helemaal niet ontdekt zijn,’ aldus mevrouw Van der Meulen tegen de rechercheur die de zaak uitzoekt. Vogeltje moet direct mee naar de Hollandse Schouwburg, en Max mag iets later worden afgeleverd.’’ (blz. 66)

Max gaat naar de crèche in de Plantage Middenlaan. Die bevindt zich tegenover de Schouwburg waar zijn oma verblijft. Lang is hij daar niet: een vriendin van zijn moeder weet de peuter daar na twee weken weg te halen.                                                                                                      

Door deze ‘ontvoering’ overleeft Max in onderduik de oorlog. Maar Vogeltje Emmerik, de oma die hem op zijn tweede verjaardag komt opzoeken, wordt op 24 september 1943 in Auschwitz vermoord.        

Op zijn onderduikadres in Limburg heeft Meijer dan net vernomen dat zijn echtgenote op vrijdag 17 september op transport is gegaan naar Westerbork. Hij en Fietje hebben elkaar twee maanden niet gezien: ‘Ofschoon ik niet veel hoop heb, zal ik toch onmiddellijk alles in het werk stellen, om haar voorloopig op Westerbork gesperd te krijgen, ik heb financieel mandaat gegeven. Mocht ondanks alles dit niet gelukken, bid ik God, dat Hij haar zal sparen,’ schrijft Meijer op 23 september in zijn dagboek over Vogeltje, ver weg in Limburg. Een dag later is ze dood.              

Meijer, die van haar overlijden geen bericht krijgt, schrijft desondanks op 10 januari 1944: ‘Ik kan maar niet over het verlies van mijn vrouw heen komen, en ofschoon de menschen hier buitengewoon goed voor mij zijn, voel ik mij ontzettend eenzaam.’ Het goede nieuws dat ook zijn dochter Lena en kleinzoon Loetje ergens in Limburg zijn ondergedoken, verandert daar weinig aan.                                                                         

Onderduik Limburg

Overigens komt hij enige tijd later enigszins terug op de ‘goedheid’ van zijn onderduikgevers. De heer des huizes blijkt een zwaar alcoholist te zijn en dus een gevaar voor zijn omgeving: een huis met onderduikers. Een vertrek dat hij dan met veel te veel mensen moet delen beschrijft Meijer als volgt: ‘Licht op dit kamertje kan niet gemaakt worden. Zoodat wij om 9 uur al gaan slapen, waardoor wij ontzettend lange nachten maken, wat voor de frisheid op het kamertje niet bevorderlijk is. De eenigste ventilatie bestaat uit een klein raampje, dat met het oog op de veiligheid maar 2 centimeter geopend wordt. Wij houden ons de laatste dagen veel bezig met vliegen vangen. Ofschoon wij er honderden dood maken, blijft het hier vol vliegen.’

Langzaam maar zijn zeker eist de eenzame onderduik zijn tol. Bijna apathisch ondergaat Emmerik zijn isolement. ‘Ik ben gisteravond om 9 uur naar bed gegaan en heb daar tot vanmorgen 9 uur op gelegen, zonder ook maar één minuut geslapen te hebben. Soms kan ik net vijf minuten de weg affietsen, dan is dat alles wat ik van de buitenlucht zie. Verder zit je maar thuis: dag in dag, week in week, maand in maand. Van den eenen stoel op den anderen, en dan maar weer halve dagen op bed liggen. Het is om gek van te worden.’

Na de oorlog hertrouwt Meijer Emmerik twee keer. Hij overlijdt in Blaricum in 1978. Ook dochter Lena en haar twee kinderen hebben de oorlog overleefd.                                                                

Bronnen: Mijn belevenissen, dagboek van Meijer Emmerik over de periode september 1943 - januari 1945; Kopgeld, Nederlandse premiejagers op zoek naar joden van Ad van Liempt, Balans, november 2002.                  

Het dagboek van Meijer Emmerik is opgenomen in de NIOD-collectie 244, inventarisnummer 1966.